Direct een advocaat nodig? Bel ons: 010-2204400
Stel uw vraag direct en krijg binnen 24 uur antwoord

De uitzendovereenkomst….nu voor iedereen

21

Dec

2016

Op 4 november 2016 heeft de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) een arrest gewezen over de uitzendovereenkomst, meer in het bijzonder over de verplichte deelneming in de StiPP (bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendbranche).

Feiten in het kort.

StiPP is een bedrijfstakpensioenfonds en voert de verplichte pensioenregeling uit voor werknemers in de uitzendbranche. Voor uitzendkrachten die op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam zijn voor een uitzendonderneming is het deelnemen in de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) verplicht gesteld. Onder een uitzendonderneming wordt verstaan de onderneming die voor tenminste 50% van het totale premie-verplichte loon op jaarbasis uitzendkrachten ter beschikking stelt van (uitzend naar) opdrachtgevers.

C4C maakt haar bedrijf van het leveren van gekwalificeerd medisch specialistisch personeel aan ziekenhuizen, zorginstellingen en thuiszorgorganisaties.

Op 24 januari 2011 heeft StiPP aan C4C bericht dat haar onderneming op grond van haar bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer van StiPP valt en dat zij dus met ingang van 1 januari 2011 verplicht is aangesloten. C4C heeft tegen die aansluiting bezwaar gemaakt, wat niet is gehonoreerd door StiPP.

Vervolgens hebben partijen geprocedeerd.

De zaak

Vast stond dat C4C bedrijfsmatig medewerkers aan derden ter beschikking stelt om in de onderneming van die derde werkzaamheden te verrichten en dat daarmee tenminste 50% van het totale premieplichtige loon is gemoeid. Tot zover was er geen verschil van mening.

Waar partijen wel over van mening verschilden was het volgende. C4C stelde dat voor het kwalificeren als uitzendovereenkomst de werkgever (in dit geval C4C dus) een allocatiefunctie diende te vervullen. Volgens C4C was alleen sprake van een uitzendovereenkomst indien de werkgever zich met name bezig houdt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke arbeid, zoals vervanging van werknemers tijdens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotseling opkomende werkzaamheden. C4C betoogde dat haar werknemers niet als zodanig ter beschikking werden gesteld. Zij vervangen geen zieke werknemers, maar C4C levert werknemers die over capaciteiten beschikken die de derden (o.a. zorginstellingen) zelf niet in huis hebben. Kort en goed; de werknemers van C4C vervulden geen allocatiefunctie en dus was volgens C4C geen sprake van een uitzendovereenkomst en dus ook geen verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds.

Hof en Hoge Raad

Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad in cassatie hebben de stelling van C4C afgewezen. Volgens hof en Hoge Raad is het geen vereiste voor het aannemen van een uitzendovereenkomst, dat daarbij een allocatiefunctie wordt vervuld. Bij totstandkoming van de uitzendwetgeving is ook beoogd om andere driehoeksrelaties dan de klassieke uitzendrelaties onder de reikwijdte van die bepaling te laten vallen. Kort en goed betekent dat dat ook nieuwe driehoeksrelaties, zoals payroll en organisaties die hoog gekwalificeerd personeel detacheren voor specifieke projecten, onder de uitzendwetgeving kunnen worden begrepen. Dat heeft vervolgens als consequentie dat die organisaties die aan payrolling doen of specifieke detacheringsconstructies hanteren het risico lopen dat ze ook door StiPP zullen worden aangeschreven om verplicht deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds.

Dat kan vervelende consequenties hebben omdat StiPP bevoegd is om met terugwerkende kracht (doorgaans wordt daar een termijn van vijf jaar voor gehanteerd) bevoegd zijn om de niet afgedragen premies voor de pensioenregeling na te heffen.

Een vereiste voor het aannemen van een uitzendovereenkomst is wel nog dat de uitgezonden werknemer onder leiding en toezicht van de inlener (de zogenaamde instructiebevoegdheid) valt. In de onderhavige uitspraak was C4C met haar opdrachtgevers overeengekomen dat de instructiebevoegdheid ten aanzien van werkzaamheden van de ter beschikking gestelde werknemers bij de opdrachtgevers ligt. In situaties waarin dat niet zo is, bijvoorbeeld als ter beschikking gestelde werknemers volledig zelfstandig hun werkzaamheden zouden verrichten, zou kunnen worden geoordeeld dat er geen uitzendovereenkomst en dus ook geen StiPP van toepassing is. Dat zal per bedrijf dan nader moeten worden bekeken. Feit is in ieder geval wel dat StiPP met de uitspraak van de Hoge Raad een belangrijke overwinning heeft behaald en ongetwijfeld druk op zoek gaat naar bedrijven die zij kunnen aansluiten.

Arrest van 9 december 2016

In een arrest van 9 december 2016 heeft de Hoge Raad nogmaals bevestigd dat een allocatiefunctie geen vereiste is voor het aannemen van een uitzendovereenkomst. Dat betrof de kwestie van een viooldocent die voor een organisatie die zichzelf aanmerkt als Payroll-werkgever, ter beschikking was gesteld aan een orkest. In die zaak werd geoordeeld dat het orkest als inlener gezag uitoefende over de docent, omdat bij haar de leiding en het toezicht berustte. De consequentie was dus dat, in navolging van het hier voorstaande, sprake was van een  uitzendovereenkomst. Deze payrollorganisatie werd dus als uitzendorganisatie aangemerkt. In die zaak was StiPP nog geen partij, maar de betreffende payrollorganisatie zal binnenkort ongetwijfeld worden aangeschreven.

Voor meer informatie op dit vlak kunt u zich wenden tot Dennis Oud, Hans de Haij of Erwin den Hartog.

Geschreven door:
Erwin den Hartog
Bekijk profiel
Terug naar Blog Archief