Direct een advocaat nodig? Bel ons: 010-2204400
Stel uw vraag direct en krijg binnen 24 uur antwoord

Bevoordeling vakbondsleden bij ontslag in strijd met goed werkgeverschap

12

Oct

2015

Gerechtshof Den Haag 27 oktober 2015

Een verkoopleider van een brood- en banketbakkerij was ontslagen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Er was een Sociaal Plan van toepassing bij de totstandkoming waarvan de vakbonden waren betrokken. In het Sociaal Plan was een vergoeding opgenomen op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor C=0.1. De verkoopleider diende genoegen te nemen met een vergoeding van € 21.500,00 bruto. De werknemer achtte het ontslag kennelijk onredelijk vanwege het gevolgencriterium en wendde zich tot de kantonrechter Dordrecht met het verzoek de werkgever te veroordelen om aan hem een vergoeding te voldoen van circa € 300.000,00 o.a. wegens inkomstenderving tot zijn pensioengerechtigde leeftijd en in verband met pensioenschade. De kantonrechter Dordrecht heeft de vorderingen van de verkoopleider afgewezen, omdat de compensatie die aan de verkoopleider was geboden (€ 21.500,00 bruto) het ontslag, gezien de gevolgen daarvan, niet kennelijk onredelijk doet zijn.

De werknemer ging in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. Gebleken is dat partijen bij het Sociaal Plan een niet in dat plan –zelfs niet door middel van een verwijzing– genoemde aanvullende voorziening hadden getroffen voor werknemers die lid zijn van een bij de totstandkoming van het Sociaal Plan betrokken vakorganisatie. Voor deze werknemers werd de C-factor gesteld op 0.5.

Het gerechtshof oordeelde dat bij de invulling van de norm van het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) aan het rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden, groot gewicht toekomt. Het hof vervolgt door te overwegen dat een schending van dit beginsel niet direct voert tot de conclusie dat de werkgever zich niet als goed werkgever heeft gedragen, maar dat in het onderhavige geval elke motivering voor het gemaakte onderscheid tussen vakbondsleden en niet vakbondsleden ontbrak en er een complete wanverhouding bestond tussen de voor leden en voor niet-leden getroffen voorzieningen. Het hof oordeelde dat het hanteren van een Sociaal Plan ten opzichte van de verkoopleider naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Het maken van enig onderscheid tussen leden en niet-leden in een Sociaal Plan kan aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer een tegemoetkoming wordt geboden aan leden die door het lidmaatschap van een vakorganisatie, het mede mogelijk hebben gemaakt dat belangenbehartiging van werknemers (leden en niet-leden) bij de totstandkoming van dat Sociaal Plan heeft plaatsgevonden. Die tegemoetkoming dient dan echter wel in een redelijke verhouding te staan tot de voor de niet-leden getroffen voorzieningen. Het gerechtshof overwoog dat de belangen van niet aangesloten werknemers in het onderhavige geval in aanzienlijke mate waren achtergesteld bij die van leden, zodat de betrokken vakverenigingen niet geacht kunnen worden zich in voldoende mate te hebben bekommerd om de belangen van alle (dus ook van niet bij de vakverenigingen aangesloten) werknemers.

Bij de beoordeling van de aan de werknemer geboden beëindigingsvergoeding, heeft het hof zich niet laten leiden door een Sociaal Plan. De werknemer ontving een vergoeding van in totaal ruim € 70.000,00.

Het blijft een goede zaak dat de rechtspraak Sociale Plannen afstraft, waarin vakbonden in het kader van collectieve onderhandelingen onaanvaardbare voordelen voor haar leden probeert te bewerkstelligen. Ook de betrokken werkgever zal ernstig teleurgesteld zijn. Aangenomen mag immers worden dat de werkgever er vanuit ging een goed doortimmerd Sociaal Plan met de vakbonden te hebben gesloten. Nu betaalt de werkgever het gelag.

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, kunt u hiervoor terecht bij Hans de Haij en Dennis Oud. 

Geschreven door:
Hans de Haij
Bekijk profiel
Terug naar Blog Archief