Direct een advocaat nodig? Bel ons: 010-2204400
Stel uw vraag direct en krijg binnen 24 uur antwoord

Bestuurdersaansprakelijkheid en de uitkeringstoets

24

Nov

2016

Enige tijd geleden hebben wij u bericht dat de vernieuwing van het BV-recht per 1 oktober 2012 een hoop wijzigingen met zich mee bracht.

De aansprakelijkheid van bestuurders was één van de wijzigingen. Inmiddels heeft de rechtbank Gelderland op 16 maart jl. een eerste uitspraak gedaan met betrekking tot de aansprakelijkheid van bestuurders die voortvloeit uit artikel 2:216 BW.

Hoe zat het ook al weer?

Met de invoering van de Flex-BV dient het bestuur bij iedere uitkering te beoordelen of de vennootschap na het doen van een uitkering haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Indien de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien, jegens de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan.

Op grond van artikel 2:216 BW is de algemene vergadering van aandeelhouder bevoegd tot het beslissen over een dividend uitkering. Een besluit van de algemene vergadering om uit te keren betekent echter niet direct dat er uitgekeerd wordt. Het bestuur moet hier eerst goedkeuring aan geven. Het bestuur verleent geen goedkeuring op het moment dat het bestuur voorziet dat de vennootschap door de dividenduitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Verleent het bestuur geen goedkeuring, dan vindt er ook geen dividenduitkering plaats.

Wat speelde er in de procedure bij de rechtbank Gelderland?

De heer X was bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Participatie Management Rotterdam (P.M.R.). P.M.R. had op haar beurt een aantal (sub)dochtervennootschappen, waaronder Y en Z.  

Het concern was opgericht om een kantorencomplex, eigendom van de rijksoverheid, te herontwikkelen. De gemeente en de rijksoverheid besloten om het pand ter verkopen maar stelde vanwege de financiële soliditeit als voorwaarde dat de uiteindelijke eigenaar een al langer bestaande vennootschap moest zijn. In dat kader is voorgenoemde vennootschapsstructuur opgericht. De koopovereenkomst komt uiteindelijk tot stand tussen dochter Z en de gemeente waarbij Z tevens een geldlening met de gemeente heeft gesloten.

De ontwikkeling en de samenwerking verliep vervolgens niet naar wens en partijen sluiten uiteindelijk op 30 december 2012 een vaststellingsovereenkomst. Daarin is onder meer vastgesteld dat P.M.R. haar aandelen in Y zou overdragen en Z voor de leveringsdatum een dividenduitkering van € 250.000,- zou doen aan haar aandeelhouder, waarna de bovenliggende vennootschappen soortgelijke dividenduitkeringen zou doen. Uiteindelijk moest de dividenduitkering ten goede komen aan P.M.R.

In de procedure vorderden de vier (dochter)vennootschappen van P.M.R. terugbetaling van het uitbetaalde dividend. Volgens de (dochter)vennootschappen had Z in strijd met artikel 2:216 BW de dividenduitkering gedaan. Volgens eisers was er bij het goedkeuren van het dividendbesluit onvoldoende rekening gehouden met op dat moment voorzienbare noodzakelijke uitgaven en zag de vennootschap zich als gevolg van liquiditeitsproblemen genoodzaakt om ongunstige betalingsregelingen te treffen en een lening af te sluiten.

De rechtbank stelt uiteindelijk vast dat dat wanneer de bestuurders een goed en volledig beeld zouden hebben gehad van de financiële positie van Z, zij redelijkerwijs hadden moeten voorzien dat de dividenduitkering tot problemen zou leiden. Aldus hebben de heer X en P.M.R. volgens de rechtbank bij de goedkeuring van het aandeelhoudersbesluit gehandeld in strijd met artikel 2:216 lid 3 BW en zijn zij gehouden tot vergoeding van het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Het tekort wordt door de rechtbank vastgesteld op € 250.000,-.

Wat betekent dit voor u?

Deze uitspraak is een duidelijk waarschuwing voor bestuurders om goed op te letten bij het goedkeuren van een dividendbesluit. Bestuurders lopen een aansprakelijkheidsrisico indien blijkt dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen, zelfs al is er geen sprake van een faillissement!

Heeft u vragen? Neem gerust contact op met Lennart Hordijk

 

Geschreven door:
Lennart Hordijk
Bekijk profiel
Terug naar Blog Archief